De coaxkabel zorgt voor het distribueren van de signalen die door een LNB in de satellietschotel zijn omgezet. De LNB converteert (en versterkt) de Ku-band signalen (tussen de 10.7 en 12.75 GHz) naar een middenfrequent tussen de 950 en 2150 MHz. Zou een LNB de Ku-band signalen niet omzetten, dan was het onmogelijk om de satellietsignalen via een coaxkabel te transporteren.

Verschillende soorten coaxkabels
Er zijn diverse soorten coaxkabels te verkrijgen: dunne, dikke, groene, grijze, witte, met harde kern of zachte kern, met folie, zonder folie, 50 Ohms en 75 Ohms. In utiliteitsbouw wordt standaard de grijze coax-12 gebruikt met harde kern; voor het distribueren van satellietsignalen is deze kabel ongeschikt. Coax-12 heeft in de hoge frequentieband teveel demping (zie tabel). Voor satellietontvangst wordt minimaal een Hirschmann Koka 799 of een Belden H125 coaxkabel geadviseerd.

Bij satellietontvangst heeft de coaxkabel een dubbele functie: het zorgt ervoor dat de stuursignalen (22 KHz, 13 V, 18 V en/of DiSEqC) van de satellietontvanger naar de LNB en/of multiswitch worden getransporteerd en dat de signalen van de LNB worden gedistribueerd naar de satellietontvanger.

Zoals aangegeven converteert de LNB de Ku-band signalen naar een middenfrequent tussen de 950 en 2150 MHz. Hoe hoger de frequentie des te meer demping via de coaxkabel. Onderstaande tabel laat u zien wat de dempingverliezen zijn per type coax, per frequentie.

Hogere frequenties transporteren zich namelijk meer aan de buitenkant van de kern waar de geleidbaarheid sterk afneemt en waardoor de demping toeneemt. Indien de LNB niet de Ku-band frequentie zou omzetten, zou hele dure coaxkabel moeten worden gebruikt met een gigantisch dikke kern om het zogenaamde “skin effect” te voorkomen. Dit wil zeggen dat de frequentie zo hoog is (12 GHz) dat het signaal als het ware langs de huid (skin) gedistribueerd wordt met alle gevolgen (gigantische dempingverliezen) van dien.

Waar bestaat een coaxkabel uit

thumbnail

De kern (middengeleider) is meestal van koper, soms van aluminium. Het diëlectricum (de isolator om de kern heen) zorgt voor de mechanische centrering van de kern en dient als isolator tussen de kern en de mantel. Dit diëlectricum bestaat uit materiaal met erg lage elektrische verliezen en wordt gebruikt in de volgende vormen:

  • Massief (vol diëlectricum): polyethyleen of teflon
  • Cellulair: polyethyleenmousse, een schuim met veel lucht, dat meer en meer gebruikt wordt omwille van lage verliezen

De mantelgeleider kent verschillende uitvoeringen:

  • Vlecht van koperdraad
  • Koper of aluminium folie, omwonden door een vlecht van koperdraad
  • Flexibel koper of een aluminium buis

De buitenbekleding beschermt tegen mechanische beschadiging en is de elektrische isolatiemantel van de kabel. De buitenbekleding wordt gemaakt van:

  • PVC voor algemeen gebruik; bij binnen- of buitengebruik een soepele kabel en meestal wit van kleur
  • PE speciaal voor buiten, kent een hoge weerstand tegen atmosferische invloeden en UV-zonnestralen, is een mechanisch sterke, stugge kabel en donker van kleur

Om een ideale coaxkabel te construeren zouden we eigenlijk zoveel mogelijk lucht als isolatie moeten gebruiken. Lucht heeft namelijk goede diëlektrische eigenschappen en een hoge doorslagspanning. De diëlektrische eigenschappen hebben te maken met de geleidbaarheid voor elektrische krachtlijnen (wat frequenties in principe zijn). Lucht als geleider voor coaxkabel heeft ook nadelen. Als er bijvoorbeeld vocht in de coaxkabel komt, verandert de karakteristieke eigenschap van deze kabel met alle negatieve gevolgen van dien. Voor coaxkabels in huisinstallaties wordt veelal een soort foam gebruikt.

Karakteristieke impedantie coaxkabel

Coax heeft een bepaalde golfweerstand, die aangeduid wordt in Ohm. Zo gebruiken we in kabeltelevisie en satellietnetwerken coaxkabel met een golfweerstand van 75 Ohm. De golfweerstand wordt voornamelijk bepaald door afmetingen en dielectricum. Wanneer we aan een bepaalde belasting (satellietontvanger) d.m.v. een coaxkabel satellietsignalen door willen geven, is het van groot belang, dat de afsluitweerstand gelijk is aan de golfweerstand (75 Ohm), omdat anders de signalen worden gereflecteerd.

Alleen wanneer die gelijk zijn, wordt alle aankomende energie (satellietsignalen) optimaal opgenomen. Praktisch gezien kan er van alles fout gaan met de ‘afsluitweerstand’.  Een f-connector die verkeerd wordt afgemonteerd en de satellietontvanger waarvan de ingang storingen produceert, veroorzaken een signaalverlies van enkele dB’s. Het sterk buigen of zelfs knikken van een coaxkabel, is ook niet goed. Hierdoor verandert namelijk de afmeting tussen de kern en de mantel waardoor de golfweerstand van de coaxkabel verandert. De coaxkabel heeft dan geen karakteristieke impedantie van 75 Ohm meer waardoor er een missaanpassing ontstaat. Uit bovenstaande uitleg kunt u de gevolgen raden: extra signaalverlies.